Diezelfde avond ging ik weer naar Amsterdam.
'Je kunt vannacht nog wel hier blijven,' zeiden ze in Utrecht; maar dat wilde ik niet. Ik wilde meteen terug. Ze drongen er op aan1 dat ik dan tenminste nog iets zou eten of in ieder geval2 wat uitrusten. Ik was niet moe en ik had geen honger. Ik belde een kennis3 in Amsterdam op.
'Kom maar hierheen,' zei Wout. Ik had hem enige weken tevoren4 bij een joodse familie ontmoet. Mijn ouders waren toen al weg. 'Als je in moeilijkheden5 zit, bel me dan op.' zei hij. Ik had niet meer aan hem gedacht.
Met de tas van mijn broer stapte ik een paar uur later in de trein. Ik lette niet op of er controle was, ik keek niet naar politie, of soldaten, ik zocht geen speciale coupe uit. Er was een heleboel6 angst van me afgevallen. Wanneer ik nu ook gepakt werd, zou ik tenminste niet meer dat gevoel hebben alleen achtergelaten te zijn7.
Wout stond me aan het Amstelstation op te wachten. 'Ik heb met oom Hannes afgesproken,' zei hij. 'Hij komt je morgenochtend8 halen.'
Ik vroeg niet wie oom Hannes was. Het klonk alsof hij het over een oom van mij had.
'Ik heb nog een koffer met kleren,' zei ik, 'die staat nog aan de Weteringschans.' Wout beloofde9 dat hij hem voor me zou ophalen.
De volgende morgen ontmoette10 ik oom Hannes bij de bushalte op het Surinameplein. De tas had ik bij Wout achtergelaten.