Het was zondag, de zondagklokken luidden en de witte, lange wegen lagen leeg en saai, in den stillen zonneschijn. Hedwig vreesde1 den zondag zeer en zocht dien te ontvluchten. Een uur gaans2 van den Hof stroomde de grote rivier naar zee. Daar ging Hedwig heen, vroeg in den morgen, de dauw3 lag dik op 't gras. Zij dacht aan de basaltglooiing4, waar bloemen groeien in de voegen5 der zwarte blokken, en aan de rietrijke poelen6 en het struikgewas tussen dijk en stroom, 's winters onder water, 's zomers nog hier en daar blauw beslibd7. Daar bloeide het rode wilgenroosje8 nu, en vogels zwierven door 't struweel9. Zij dacht daaraan en zocht die oorden, daar zou 't geen zondag zijn.
Maar eerst moest zij den hogen dijkweg volgen die naar de stad voert. De hoeven lagen aan weerszijden, beneden in de schaduw der vruchtbomen. En Hedwig overdacht10 hoe het kwam, dat men aan lucht en land kon zien dat het zondag was. En waarom zondag naargeestig11 was en het schone buiten-gevoel bedierf. Het was toch mooi en goed als mensen een dag rustten12 en aan God dachten. Maar het scheen13 wel of God hun rust niet lijden mocht. Of de natuur, land en lucht, plant en dier, niet stemde met hun wijding14. Er was een schoner wijding in het eigen leven van bloem en vogel, en daartussen misstond15 de mens nog 't minst, als hij maar gedachteloos16 bedrijvig was. Maar zijn rust en wijding was er stijf en naar en hinderlijk.